Home   Email  

 

Vistechnieken home
Hengels
Materiaal Divers
Voerkorven
Afsteunen
Werptechniek
Voeren
Lijnmontages
Het Vissen
Artikels

 

Vistechnieken - feedervissen - Het Vissen
Klik op de afbeelding voor een vergroting  
 

Klik op de knop Vistechnieken of op home in de kopbalk om terug te keren.  

Quivertip
 

De verkenning
Tenzij we het viswater kennen, is onze eerste actie het verkennen van het water. Soms zijn er een aantal proefworpen nodig op verschillende afstanden. Je kunt telkens de seconden tellen die het lood nodig heeft om de bodem te bereiken. Zo bepaal je grofweg de diepe en ondiepe plaatsen. Trek het lood ook eens over de bodem naar je toe, om de gesteldheid van de bodem, glad of oneffen, schoon of vuil te ontdekken. En met veel geluk vindt je een helling, toch altijd een meerwaarde voor een stek. Praten met lokale vissers kan soms meer opleveren dan je voor mogelijk houdt, ze delen maar al te graag hun kennis over hun water.
De visplaats
Eenmaal beslist waar we gaan vissen bevestig ik een open voerkorf en werp die vol naar de uitgezochte plaats. Dit doe ik om de richting en afstand te bepalen, en ook om te zien of het gemakkelijk te doen is om op de beoogde plaats te werpen en te vissen. Om de richting te bepalen gebruik ik een of twee vaste herkenningspunten op de tegenovergestelde oever. De afstand leg ik vast door de lijn in de lijnclip te bevestigen na de worp.  Onmiddellijk daarna zet ik die afstand uit op de oever door de lijn af te rollen en de afstand te markeren met twee stokjes.  Moest ik nu op de een of andere manier de lijn breken tijdens het vissen, of de lijn is plots uit de lijnclip, dan kan ik de juiste afstand steeds weer uitmeten en vastleggen. Daarna steun ik de hengel af.  (zie hoofdstuk afsteunen)
Het voeren
Nu begin ik met een 6 tot 8 worpen te maken, waarbij ik de voerkorf iedere maal ledig op de voerplek met een kort rukje aan de hengel. Zuiver werpen is van vitaal belang, om het lokaas niet te veel te verspreiden.
 - Vis ik niet al te ver uit de kant en binnen werpafstand, dan kies ik zelfs vaak voor het gewoon aanleggen van een voederplaats met enkele kleine voederballen, en neem ik van in het begin een wartelloodje in de plaats van een voederkorf. 
 - Zijn de vissen volop aanwezig op de voederplaats, dan verwissel ik ook vaak de voerkorf voor het wartelschuiflood om de vissen minder te verstoren. Wil ik daarna iets bijvoederen, dan wissel
ik terug. 
Het vissen.
Pas daarna maak ik de volledige montage klaar met de haak aan de lijn. De keuze van de montage is in de eerste plaats een persoonlijke voorkeur  (zie montages). Vissen we met gevlochten lijn, dan maken we altijd een voorslag van nylon. Doe je dat niet dan krijg je zeker minder beten. Twee keer de lengte van de hengel is voldoende. Vaak moet ik deze tijdens het vissen aanpassen aan de aanbeet of aan de manier van bijvoederen. Zo neem ik na een tijd een halfopen of gesloten voerkorf om levend aas naar de voerplek te brengen. Bijten de vissen erg lui, dan kan bv een lange loodlijn met een korte haaklijn uitkomst bieden.
Direct na de worp, waarbij ik de lijn met de vinger afrem zodat de slag niet rechtstreeks op de lijnclip terechtkomt, sluit ik de molen en blijf met de hengeltop het lood nawijzen. Bedenk hierbij dat, zeker op diep water, het lood en aas behoorlijk naar ons toe zakken. Net voor het lood de bodem raakt, door mee te tellen  kunnen we dat moment feilloos bepalen, leg ik de hengel op het uiterste van de steun en hou de lijn onder spanning. Tijdens het strak trekken van de lijn moet je wel bedacht zijn op vroege beten. Zeker als er veel vis op de stek aanwezig is, gebeurt dit vaak. Karakteristiek voor zo'n vroege aanbeet, is een heftig trillen van de top. Een doorgaande felle haal op een dergelijke beet levert bijna altijd een gehaakte vis op. Gebeurt dit niet, dan trek ik het lood nog een halve meter naar me toe, met de bedoeling de lijn mooi strak te leggen. Na verloop van enkele minuten zonder beet verplaats ik het lood en aas nogmaals. Nu met de bedoeling de aasplek af te zoeken en tevens de aanwezige vis te prikkelen. Op sommige dagen en zeker op voorn, is dit een effectieve manier om te vis tot aanbeten te verleiden. Bij brasem is dit minder het geval, maar ook dan kan het soms resultaat opleveren.
Zo vis ik het aas over de volledige voerstek heen. Indien er geen resultaat volgt, dan haal ik de lijn in, hervul de voerkorf en begin van vooraf aan.
 
De beet
Aanbeten kunnen zich in een grootte verscheidenheid voordoen. Ze variëren van een licht nauwelijks merkbaar trillen van de top, tot en met het zonder inleiding plotseling naar het water ombuigen, met een heftigheid, die veronderstelt dat de vis de hengel uit de steun probeert te trekken. Misslaan op een aanbeet is bepaald geen schande bij deze manier van vissen, en komt zelfs geregeld voor. Vraag niet waarom, maar het is zo ! Gebeurt het te veel, dan moet er een oorzaak zijn. Een te grootte of te kleine haak of te groot aas voor te kleine vis. Het kan ook zijn dat de lengte van de onderlijn of de voerkorf te lang of te kort is. Maar vaak is het omdat we te vlug aanslaan na de eerste inleidende tik op de top. Andere dagen is dit tikje vaak het enige bewijs van een aanbeet en moet er aangeslagen worden op de eerste tik. Uitproberen is ook hier de leuze. Het kan ook, zeker als er volop brasem op de stek zit, dat de vissen tegen de lijn aanzwemmen. Hierdoor wordt de tip zonder enige waarschuwing met een felle ruk naar het water getrokken en keert ogenblikkelijk in zijn oude stand terug. Misslaan is dan evident. Om dit 100% zeker te controleren kun je eens enkele minuten zonder aas op de haak vissen. Een goede remedie hiertegen is vaak iets dichter bij vissen. Dat wil zeggen aan de binnenkant van de voerplek. Soms kan het gebeuren dat de tip in plaats van naar het water toe uit te buigen, plots terugvalt. Ook dit is een beet. De vis verplaatst hierbij het lood naar de oever toe.

Swingtip
 

Men kan bijna al het bovenstaande ook gebruiken voor de swingtip, maar hier volgen nog enkele tips speciaal voor het swingtipvissen.

Een goede swingtip is nu meestal net als de quivertip voorzien van meerdere oogjes. Een punt om op te letten is dat het onderste geleideoogje zo dicht mogelijk bij het rubberen verbindingsstuk gemonteerd is. Bovendien mag de ruimte van het siliconenrubber niet te groot zijn, zodat de tip niet over zichzelf heen kan slaan. Een ruimte van 1cm tussen hengeltop en swingtip is ruim voldoende. Voor de speciale manier van afsteunen,
zie hoofdstuk afsteunen.  Trek de lijn na het inwerpen onder water, door van zodra het lood het water raakt de hengeltop diep in het water te steken en de lijn met enkele korte rukjes onder water te trekken. Gebruik daarom een gemakkelijk zinkende lijn of ontvet ze met een zeepoplossing. Zodra de swingtip terugvalt begin je de slappe lijn strak te draaien. Daarna zetten we de swingtip op scherp door hem iets uit het lood te plaatsen. Deze stand geeft net voldoende spanning om opklimmende en terugval beten te registreren.  Om zo licht mogelijk te vissen gebruiken we altijd de lichtste tip als mogelijk is. Op niet te grote afstand is een tip van 23cm voldoende , gaan we boven de 20 meter dan is een tip van 30cm of langer beter, en boven de 40 meter is een tip van 50cm geen overbodige luxe. Voor diep water is eveneens een zwaardere en langere tip noodzakelijk dan normaal. Het zetten van de haak kan zich beperken tot een snel maar beheerst uitgevoerde zijdelings naar achter gerichte zwaai. Het ideale moment hiervoor moet je meestal zelf ondervinden op de visdag. Een algemene regel is wel dat je aanslaat op het moment dat de tip blijft hangen. Dit is niet het hoogste punt van de aanbeet. maar dat merk je wel. De gemakkelijkste aanbeet om op aan te slaan is die, waarbij de swingtip na enkele inleidende schokjes gelijkmatig omhoog klimt. we slaan dan eerder te vroeg dan te laat aan. Ook het terugvallen van de tip, veroorzaakt door een vis die het lood richting oever verplaatst, is een aanbeet waarop we moeten aanslaan.
 
Extra
Bij winderig weer kan men gebruik maken van een tip verzwaard met looddraad of een verschuifbaar gewichtje. Hierdoor is de tip minder gevoelig voor de wind, maar ook minder beetgevoelig. Zelf vind ik het ondingen, en op zo'n moment kies ik liever voor de quivertip.
 


Klik op de afbeelding voor een vergroting  

Extra tips
 

·         Stroomt het hard dan steun je de hengel schuin omhoog af. Dus recht voor je uit de top naar de hemel. Hierdoor krijgt de stroming veel minder vat op de lijn en scheelt het een stuk in lood.

·         Wanneer de beten wegvallen kan het helpen door de korf te vervangen door een gewoon wartellood.

·         Als de beten wegvallen kan het ook helpen door een metertje verder te werpen. Door het afzinken van de korf ligt deze vaak steeds een meter meer naar de kant toe, en de grootste hoeveelheid van het lokvoer vaak een meter verder.

·         Wanneer de vis erg traag en voorzichtig bijt, kan het lonen om een schuifmontage op de feeder te gebruiken. Hierdoor is er minder weerstand van de korf.

·         Gebruik bij de start een groottere korf om de voerstek snel op te bouwen en vervang deze daarna door een kleinere korf

Ik wens je voor iedere beet een kanjer van een vis,
en na een visdag een leefnet vol. 
Maar ook met de feeder is het niet altijd feest, maar wel regelmatig.


 


Copyright © 2006 Noyelle Frans. Alle rechten voorbehouden.