Home   Email  

 

Vissen op...
Snoekbaars
Snoek
Zeelt
Karper
Brasem
Baars
Barbeel
Paling/Aal
Roofblei
Meerval
Vijverforel
Voorn
Droomvissen

 

 

Vissen op Brasem
Techniek

Klik op de afbeelding voor een vergroting  

    Algemeen  Techniek  Aas - lokaas  Artikels

Brasemvissen is niet gebonden aan een bepaalde techniek. Het kan zowel met de vaste stok, de feeder of de matchhengel.
Al deze technieken kan je uitgebreid terugvinden onder het hoofdstuk "Vistechnieken".
Als je bovenstaande hoofdstukken doorgelezen hebt kan je hier dan weer terecht voor wat meer specifieke brasemtechnieken, maar in de eerste plaats telt de basistechniek. 
Materiaal & techniek vaste stok
In het algemeen kan je stellen dat de gewone basisuitrusting van een vaste stok visser ruim voldoet voor het gericht vissen op brasem, maar er zijn toch wat zaken die specifiek gericht zijn op brasem !
De hengel:

Brasem bevissen we zelden onder de kant. In veel gevallen moeten we ze vaak extra ver zoeken. Een standaard hengel van minimum 10.5 meter is in mijn ogen dan ook een must. Al gebruiken we die volle lengte niet steeds, de beschikbaarheid is belangrijk.
Een onmisbaar onderdeel aan een brasemhengel is een goede topelastiek. Hier vind ik het belangrijk dat deze over de eerste twee hengeldelen ingebouwd is. Dus niet alleen in het topdeel. Sommige verkiezen zelfs een elastiek over drie delen. Zelf vindt ik echter dat een elastiek over drie delen me machteloos maak tijdens de dril van een grotere brasem. Voor meer informatie:  "top-elastiek"

De lijn:
Wat is de juiste lijndikte ?  Mijn ervaring is hoe lichter hoe beter. Brasem is nu eenmaal geen vis van lange runs, maar aan fijn materiaal een onder de hengeltop fel knokkende vechtersbaas.
In combinatie met een topelastiek start ik dan ook steeds met 8/00 nylon.
In 85% voldoet dit uitstekend.
Verwacht ik echter grotere brasem, zeg maar rond een kleine 2kg, dan schakel ik over op 10 tot max 12/00 nylon, meestal in combinatie met een 2/00 dunnere onderlijn.
Dikker ga ik nooit aan de vaste hengel voor brasem, en tot nu toe is dat ook nooit nodig gebleken.
Ik wil het hier nogmaals benadrukken, het enige resultaat van een dikkere lijn is minder of geen aanbeten.
In uitzonderlijke gevallen als de brasems uiterst voorzichtig azen, of met "vork en mes eten"  zoals we zeggen, is een 8/00 lijn voorzien van een 6/00 onderlijn vaak een must.
Ga je echt gericht voor vloermatten kies dan niet voor zwaardere draad maar voor een werphengel.
De Haak:
Ook hier denken de meeste hengelaars vaak; grotere vis, grotere haak.
Dat is soms wel terecht, maar juist daardoor gaat het vaak fout. Wat is immers groter ?
Haakmaatjes 12 tot 20, daartussen kies ik doorgaans.
Gebruikelijkst is een haakje 16/18. 
Is de vis gretig op beet of vis ik met een behoorlijke dot maden of een worm dan mag het zelfs tot haakmaat 12.
Kleiner dan 18 gebruik ik dan weer als de brasem uiterst klein aas verkiest en een enkele made of ver de vase reeds genoeg is.
Krijg je geen of weinig beet, probeer even een kleinere haak en kleiner aas !
De dobber:
Meestal prefereert brasem een stil liggend aas en om dat te bereiken passen we de dobber aan de omstandigheden aan.
Hierbij houden we rekening met de stroming, de wind, de diepte en de afstand. Afhankelijk hiervan kiezen we het model en de draagkracht.
Zie vissen met de vaste stok voor de verschillende dobber types.

Gebruik geen te lichte dobber of het moet in een vijver zijn bij windstil weer, je moet het aas immers meestal stil kunnen houden ondanks onderstroom of drift.
(Technieken waar dit niet het geval is worden apart behandelt) 
Een goed gemiddelde is 1 gram draagvermogen.
Lijn montages vaste stok
De brasem is een vis die het grootste deel van zijn leven zijn voedsel op de bodem zoekt. Daarbij heeft de brasem meestal de voorkeur aan stilliggend aas. Om dit te bereiken gebruiken we in de meeste gevallen bulklood dat dicht tegen de bodem aanzit met eventueel daar onder een verklikkerloodje.
Maar ook andere montages kunnen gebruikt worden afhankelijk de omstandigheden, pin je daarom niet vast op een van onderstaande uitlodingen, maar experimenteer zelf wat het best werkt voor u.
Het is trouwens niet zo dat brasem altijd op de bodem aast. Uitzonderlijk neemt hij het aas boven de bodem en dan moet je kiezen voor een of andere vorm van zwevende uitloding.
Montage met verklikkerloodje
Wat is een verklikkerloodje nu precies ?  Het is gewoon het laatste loodje op de lijn, het dichts bij de haak.
De bedoeling ervan is het aas tegen of op de bodem te verankeren en van zodra een brasem ook maar even het aas opneemt zonder weg te zwemmen, hij hiermee het verklikloodje opneemt en zo juist dat gewicht neutraliseert, waardoor de dobber net even uit het water omhoog komt. Vaak is dat reeds genoeg om de haak te zetten.
In het andere geval waarschuwt het de visser voor de bijna steeds daaropvolgende onderduikende of weglopende dobber.
Bij het vissen op brasem wordt de rol van dit loodje vaak miskend. Het is geen kwestie van zomaar een loodje op de lijn die deze benaming heeft. Het is wel iets meer dan dat !
Door dit lood verder of dichter bij het aas te zetten, veranderd de presentatie van het aas. Ook door het lichter of zwaarder te nemen, zal het aas zich anders gedragen. In bepaalde gevallen veranderen we er ook de beetregistratie mee.
In het verklikkerloodje schuilt dikwijls het verschil tussen wel of niet vangen.
Als de vis goed op beet is, steekt het allemaal niet zo nauw, maar er zijn meer andere dagen waar we de nodige moeite moeten doen voor iedere vis.
Er is geen echt vaste regel voor het verklikkerloodje, maar onderstaande voorbeelden geven een goed globaal idee.
Gaan we van de veronderstelling uit dat een brasem steeds op dezelfde manier bijt, dan zal een verklikloodje dat op 50cm van de haak staat de aanbeet veel trager doorgeven dan een verklikloodje dat op 15 cm staat.
Gebruik je een dobber met een dikke antenne dan moet het loodje ook zwaarder zijn dan een dobber met hetzelfde draagvermogen, maar met een dunne antenne.
Met die informatie kunnen we aan de slag.
Het verklikloodje staat gewoonlijk op ongeveer 20cm boven het aas. Bij gebruik van een onderlijn is dat vaak juist boven de onderlijn. Willen we dat het verklikloodje dichter bij het aas komt, dan monteren we een kortere onderlijn.
Zonder onderlijn schuif je het gewoon iets dichter bij de haak.
Het normale gewicht van het verklikkerloodje is
Bij een dobber van 1 gr en licht aas zoals vers de vase:  0.05 gr  Nr9. 
Bij een dobber van 1 gr en medium aas: 0.07 gr Nr 8
Bij een dobber van 1 gr en zwaar aas: 0.08 gr Nr 7
Voor een dobber van 0.5 gr wordt dat nr10, nr 9, nr 8
Voor een dobber van 1.5 gr wordt dat  nr 8, nr 7, nr 6
Voor een zwaardere antenne neem je steeds een loodje dat één nr zwaarder is of normaal.
Je kan in plaats van één verklikkerloodje ook gebruik maken van meerder loodjes met dezelfde functie, je verdeelt dan het aangegeven gewicht door het aantal verklikkerloodjes.
Dus in de plaats van één loodje van 0.08 gram bijvoorbeeld twee van 0.04 gr.
Een verklikkerloodje komt normaal steeds juist boven of nipt op de bodem te hangen.
De invloed van een verklikkerloodje valt gedeeltelijk weg wanneer het loodje echt op de bodem komt te liggen, en dat kan noodzakelijk zijn als je het aas op de bodem wil verankeren, bijvoorbeeld bij felle onderstroom of slepend vissen.
Onderstaand enkele voorbeelden van montages met verklikloodjes. Alle montages kunnen ook met een onderlijn.
De afstand verklikkerlood/bulklood is sterk variabel, en kan variëren van nog geen 10cm tot 50 cm en meer. 



Klik op de afbeelding voor een vergroting  
 

De sleeptechniek
Brasem vraagt meestal om aas dat perfect stil ligt. Krijg je geen beet dan kan slepen soms voor verrassende resultaten zorgen. Dan kan gewoon de pen een eindje uit het water heffen en het aas enkele tot zelfs 10cm verslepen plots wel tot resultaat leiden. Maar beter is het de techniek aan te passen, want ondanks dat de naam een ruwe visserij suggereert is het tegendeel waar. Het is een zeer scherpe manier van vissen waarbij zeer alert moet gevist worden.
De Pen:
In de eerste plaats een pen die wanneer je ze verplaats zich iets uit het water heft, maar niet meteen plat gaat liggen. En als je het verplaatsen stopt, zich uit schuine positie terug opricht.  Een pen met een draagvermogen rond de 1 gram met een langere onderantenne (10/15 cm), een bovenantenne van +5 cm, en een gestroomlijnd drijflichaam is hiervoor ideaal.
Het lood:
Fijn slepen vraagt om een speciale uitloding. Het is de bedoeling dat de aanbeet direct zichtbaar is. Het lood verdelen we in drie groepen. Op de onderlijn zit een sleeploodje, boven de onderlijn komt het gegroepeerd lood en onder de pen hangt een sta-loodje.
Sleeploodje: We vissen steeds met de onderlijn en het sleeploodje op de bodem. Het is de bedoeling dat wanneer we slepen met de pen, de onderlijn niet echt van de bodem los komt. Het loodje moet hiervoor dan ook voldoende zwaar zijn. De afstand tot de haak is variabel. Meestal start ik op ongeveer 10cm van de haak, maar soms als de vis echt niet mee wil, gaat dit tot zelfs tot 40cm.
Gegroepeerd lood: Het gegroepeerd lood hangt ongeveer een cm boven de bodem. We peilen dan ook uit met het knijploodje op het onderste loodhageltje. Zo zijn we zeker dat het lood mooi boven de bodem hangt.
Sta-loodje: Deze loodhagel wordt net tegen de onderkant van de onderantenne gezet. Zijn functie is belangrijk. Het loodje zorgt ervoor dat de pen snel in beetverklikkerpositie staat.
Techniek:
Uitloden: Zoals ik reeds schreef, steeds uitpeilen met het peilloodje op de onderste loodhagel van het gegroepeerde lood vastgeknepen. We loden zo uit dat alleen de laatste cm van de bovenantenne boven water steekt.  Zelf smeer ik het boven het water uitstekend gedeelte van de antenne licht in met wat vaseline zodat de antenne als het ware in het oppervlak plakt.
Het vissen: We verslepen de pen steeds uiterst langzaam van enkele tot zelfs enkele tiental cm. Daarna stoppen we zodat het drijflichaam van de dobber zich iets meer recht. We doen dit steeds met een strak gespannen lijn. Ook als we iets langer wachten en de dobber volledig recht komt te staan.
De beet/aanslaan: Tijdens het slepen manifesteert de beet zich meestal door een tegengehouden aas, waardoor de gesleepte dobber iets dieper gaat, of zelfs volledig onderduikt. Tijdens de rustpozen komt het vaak voor dat de dobber iets omhoogkomt bij een aanbeet, omdat het lood vrij dicht bij de haak zit. Reageer in beide gevallen onmiddellijk door ultrasnel aan te tikken, meestal krijg je geen tweede kans. Het kan natuurlijk ook dat je tijdens de rustpauze tussen het slepen in een normale beet krijgt. En zoals alles is ook deze techniek niet zaligmakend, maar denk er in ieder geval eens aan als de beten uitblijven.

Klik op de afbeelding voor een vergroting
 
 
De panieklijn
Het achterliggend idee:
Soms, en meestal op vijvers moeten we de vis, zeker de grotere brasem, steeds verder uit de oever zoeken. Enkele meters verder, in ieder geval verder dan de collega's links en rechts tijdens een wedstrijd, maken vaak het verschil.
Maar  dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Je kan vissen met een montage met een engelse pen en een extra lang slag, maar ideaal is het niet. Als antwoord hierop heeft iemand de panieklijn uitgevonden (Oscar van nooten).
Het ziet er een vrij ruwe manier van vissen uit, maar gemonteerd zoals het hoort werkt het in de praktijk perfect.
Ieder onderdeel heeft een specifieke functie en de totale opzet moet terdege kloppen,  hou je daar dan ook aan om mislukkingen te voorkomen.
De opbouw:
Als hoofdlijn 14/00 nylon. Het lijkt veel, maar is nodig. Met de panieklijn is het een kwestie van zoveel mogelijk vis op zo kort mogelijke tijd in het net te krijgen,
en dit meestal op water met een goed brasembestand.
Als dobber is de beste keuze een dobber met een laaggeplaatst drijflichaam en een lange iets dikkere bovenantenne. Draagvermogen circa 2 gram lengte +-20cm.
De dobber wordt op de Engelse manier gemonteerd, dus alleen met het onderste oogje op de lijn. Hiervoor gebruiken we een kant en klaar systeem van dobberconnector met stoppertjes, waarbij de dobber vrij strak op de lijn zit en toch gemakkelijk kan verschoven worden zonder de lijn te beschadigen.
(Het draagvermogen heeft geen enkel belang in de techniek zelf, het lood op de lijn en het draagvermogen van de dobber hebben geen uitstaans met elkaar)
Daarna komt het lood. Hierbij krijg je de neiging om dat zo licht mogelijk te nemen maar dat is dan vaak de reden waarom het niet werkt. In het begin werkte men met lood op een zijlijntje, maar dat zorgde voor te veel problemen.
Nu gebruikt men meestal een plat lood van 10 gram. Het loodgewicht geeft geen invloed op de viswijze en dient alleen om de lijn probleemloos onderhands in te werpen en ervoor te zorgen dat de lijn snel zinkt. Ook bij forse wind.
Om nog efficiënter te vissen wordt het lood extra behandeld.
Het centrale gat maak je iets groter door het uit te boren en hierin steek je een stukje siliconenslang dat je met secondenlijm vastzet.
Langs beide zijden laat je het siliconenslangetje 1mm uitsteken. Dit dient als extra schokdemper en zorgt er gelijktijdig voor dat de nylonlijn niet beschadigt wordt.
Als extra zetten we nog een rubberkraaltje tussen de rubber stopper en het lood.
De onderlijn bevestigen we voor het comfort aan een mini wartel. 
Vismethode:
Na het onderhands gestrekt voorwaarts inwerpen brengen we zodra het lood het water raakt de hengel een halve meter achteruit terwijl we hem in de hengelsteunen plaatsen. Ondertussen is de lijn in enkele seconden gespannen naar de de bodem afgezonken. 
Vervolgens brengen we de hengel vooruit en hierbij moet de antenne boven water komen te staan. Is dat niet zo, dan schuif je de dobber gewoon iets hoger tot het gewenste resultaat is bereikt.  De antenne moet ongeveer 0.5 tot 1cm boven water staan. 
Bij een aanbeet verdwijnt de dobber als een schicht onder water en dan moet je de neiging onderdrukken om fors aan te slaan, maar de hengel met een vloeiende beweging naar boven tillen om de haak te zetten.
Bij gebruik van een topelastiek moet je voor een iets zwaardere en stijvere uitvoering kiezen omdat bij te veel rek de aanslag teniet wordt gedaan met meer missers tot gevolg.
Het vissen met de panieklijn lijkt eenvoudig, maar vergt toch enige oefening wil je deze techniek perfect beheersen.
Eenmaal zover sta je echter verwonderd van het resultaat. 
 
                     

   
Materiaal & techniek werphengel
Als er al een vissoort is die met een werphengel leuk te vangen is, dan is het zeker de brasem.  Zowel met de matchhengel, of de feeder waaronder zowel quivertip of swingtip,  bieden een waaier aan sportief hengelplezier op brasem.
Eigenlijk wilde ik hier in dit hoofdstuk wat uitgebreider op ingaan, maar kwam tot de vaststelling dat het alleen maar een herhaling zou zijn van wat  in het hoofdstuk "Vistechnieken feeder en match hengel".  reeds uitgebreid aan bod komt.
Toch zijn er ook met de werphengel, technieken of wetenswaardigheden die specifiek gericht zijn op brasem.
Om deze toch aan bod te laten komen hebben wij die dan ook verpakt als reportages die je kan terugvinden bij
 "artikels"
 
 

    Algemeen  Techniek  Aas - lokaas  Artikels

Copyright © 2006 Noyelle Frans. Alle rechten voorbehouden.