Kabeljauw / Gadus morhua / gul (kleine
kabeljauw )
|
 |
|
Leefgebied / Gedrag |
Max lengte / gewicht : 170cm / 40kg
Levenswijze : Leeft van kust tot in
matig diep water .
Vormt overdag scholen en verspreid zich 's nachts om te jagen op vissen en
bodembewoners .
Het leefgebied van de kabeljauw bestrijkt de gematigde en koude zeeën van
het noordelijk halfrond. Door het aanmaken van een soort antivries kan de
kabeljauw zich zelfs handhaven in het koudste zeewater. Er zijn
verschillende 'kabeljauwrassen'. Zo zijn er rassen die enorme
voedseltochten ondernemen en rassen die juist hun hele leven in het
kustgebied blijven hangen.
Komt in de winter naar onze Noordzee om te paaien en voedsel te zoeken .
Vertrekt in het voorjaar terug noordwaarts .De kabeljauw houdt niet van zachte slikgrond. Zand, stenen en
klei hebben de voorkeur. |
 |
|
Vismethode |
Dat het eerst flink moet
gaan vriezen eer je kabeljauw vangt, is bakerpraat. Pas als het zeewater
tot onder de vier graden daalt, trekt de kabeljauw naar dieper water. De
periode dat men vanaf de kust kabeljauw vangt, loopt van oktober tot half
januari en van maart tot en met april. Eind januari trekt de vis ver uit
de kust naar de paaigronden en blijven alleen de echte kleintjes, de
torretjes, achter. Vooral in het donker is de vis vanaf de kust te
vangen. Maar is de zee ruw en de lucht bewolkt, dan lukt het vaak ook
overdag en hetzelfde geldt voor diep water. Opkomend en afgaand water zijn
gunstig en vaak aast de vis actief aan het eind van zowel de eb- als de
vloedstroom. Bootvissers vangen ze in dieper water gewoon overdag. Als men
boven ver gelegen wrakken en andere obstakels vist, blijkt de soort ook
hartje zomer goed te vangen. Beste periodes voor het vissen vanaf boten
zijn mei-juni en oktober-november
Hengelmateriaal
Voor het kabeljauwvissen vanaf de stranden en havenhoofden is een stevige
hengel noodzakelijk. Dergelijke hengels worden 'pierenrammers' genoemd en
behoren tot de zwaarste categorie hengels. Dus stokken van vier tot vijf
meter voor werpgewichten van 150 tot 200 gram. Het eerst genoemde gewicht
als het meest gangbare, het tweede voor het geval er een zware zee loopt
en het stevig stroomt. Op de hengel een sterke en snelle zeewerpmolen.
Vist men vanaf de boot, dan worden voor de vlakke bodem zogenoemde up-tidehengels van maximaal 3,5 meter gebruikt met een sterke robuuste
zeewerpmolen, al is snelheid bij het bootvissen minder belangrijk. Voor
het vissen op wrakken is een kortere boothengel van maximaal 2,75 meter
ideaal en worden er naast krachtige molens ook reels gebruikt. Men vist
dan recht omlaag en hoeft niet te werpen. Vissen op kabeljauw vanaf
de kust gebeurt vrijwel altijd met ankerlood. Men kan dan kiezen voor een
onderlijn met twee haaklijnen, al dan niet bevestigd aan twee afhouders.
De meeste zeevissers kiezen echter voor een lijnsysteem met slechts één
grote haak. Dat kan een lange wapperlijn van 70 of 80 cm zijn, die vlak
boven het werplood is gemonteerd. In de buurt van steenstort vist men met
zogenaamde jojo-onderlijnen, waarbij het aas boven het werplood hangt.
Haakt men dan een gul dan hangt het grootste gewicht [de vis] onder het
lood. De kans dat het lood bij het binnendraaien achter een obstakel
blijft hangen, is dan minimaal. Ziet men graag bijvangsten als schar, bot
en wijting, dan kiest men voor haken nr. 2 en 1/0. Staat er zuiver en
alleen 'Gadus' op het programma, dan vist men met haakmaten nr. 2/0 t/m
5/0. Vanaf de boot wordt vaak met twee haken aan lange afhouders en
daaronder een 200 tot 400 gram zwaar ankerlood gevist. Bij het wrakvissen
wordt tegenwoordig veelal voor zware pilkers gekozen. Het gewicht
van de pilker is afhankelijk van de stroming en de diepte en gaat van 50
tot 250 gram . Een goed gemiddelde is 80-100 gram .
Aas
De kabeljauw is een alleseter die zich zelfs wel eens vergrijpt aan
kleinere soortgenoten. Krabben, garnalen, visjes, schelpdieren en vooral
zeepieren en zagers vormen echter aan de hengel het hoofdmenu. Grote
zwarte zeepieren en verse tappen zijn het allerbeste aas, met de zager als
goede tweede. Wees niet zuinig en rijg gerust drie of vier zeepieren of
tappen, of een hele zager op de haak. Bij het wrakvissen gebruikt men
pilkers, maar ook loodkoppen met grote shads, plastic inktvisjes,
kunstwormen, jigs en grote veren. En in grote concentraties bij wrakken
pakt de kabeljauw juist dat kunstaas, al lukt het daar meestal ook met een
grote haak en een flinke dot zeepieren.
Vissen met een pilker :
Dit doet men bijna altijd vanaf een driftende boot . Er bestaan drie
variaties : het eenvoudig op en neer halen , het vooruit vissen , en het
achteruit vissen . Het allerbelangrijkste bij dit alle drie de viswijzen
is dat de pilker altijd dicht bij de bodem aangeboden wordt . Zodra de
pilker de bodem raakt draait men enkele slagen binnen om niet aan het
wrak vast te haken . daarna brengt men met op en neergaande bewegingen
van de hengel actie in de pilker . Bij het slepen achter de boot werpen
we de pilker iets uit en doen hetzelfde als hierboven . De pilker
huppelt hierbij als het ware over de bodem .
Aanbeet / dril / landing :
De aanbeet van een kabeljauw is steeds duidelijk merkbaar . Bij kleine
vissen die snel omhoog getakeld worden is het druk verschil op de
zwemblaas zo groot dat ze praktisch niet vechten . Bij grote vissen is
dit echter volledig anders . Na de harde ruk van de aanbeet wijst alles
op een hanger , want er gebeurd meestal niets meer . Kabeljauwen van
meer dan 10 kg gaan namelijk vaak op de kop staan . Door rustig binnen
te pompen haal je de vis naar boven .
|
|
Eigen vangsten |
In de jaren 80 vanaf een boot in de Noordzee viste ik nu
en dan op
gul .
Maximum vangst was 80 kg gekuiste vis .
Grootste vis was op een korte vistrip naar Zweden .
|
|
|
|