Klik hier om naar index droomvissen te gaan

Zeebrasem    ( soort )   / Sparidea
 

rode zeebrasem / gewone zeebrasem
 
Zwarte zeebrasem ( foto internet)

Kenmerken

De familie van de zeebrasems ook wel schaapvissen genoemd  bestaat uit soorten die wat betreft lengte uiteenlopen van 12 tot 200 centimeter en over de gehele wereld in de tropische en subtropische delen van alle oceanen worden aangetroffen. De helft van alle bekende soorten leeft in de wateren rondom Zuid-Afrika. In de Middellandse Zee leven 24 soorten. Enkele soorten worden ook in brak en zoet water aangetroffen.
Ze komen slechts bij uitzondering door het kanaal tot voor onze kust.

De drie belangrijkste soorten die buiten de Middellandse zee te vinden zijn tussen het Atlantische kustgebied van Marokko en de Ierse kust zijn :

Rode zeebrasem / Blackspot seabream / Pagellus centrodontus 
Duits : seekarpfen, graubarsch. Engels: red bream. Frans : dorade commune. Italiaans : occhialone. Portugees : goraz , besugo. Spaans : besugo
De soort heeft zeer grote ogen . De rug is donker roodachtig en de rest van het lichaam grijs roodachtig tot onderaan meer zilverkleurig . Nog een belangrijk kenmerk is de duidelijke donkere vlek achter de kop aan het begin van de zijlijn.
De grootste lengte is ongeveer 70cm. Gemiddelde lengte circa 30cm. Maximum gewicht 4kg
Deze soort wordt zeer veel in het westen van Ierland gevonden. Bovendien komt hij ook nog vrij noordelijk voor

Gewone zeebrasem / Pagellus erythrinus
Duits : rotbrassen Engels : pandora. Frans : Pagel , pageau. Italiaans : pagello , fragolino. Portugees : bica Spaans : breca
De ganse vis is roodachtig gekleurd , ook de buik en alle vinnen, met uitzondering van de lichte buikvinnen. De flanken hebben soms een blauwachtige kleur.
Maximum lengte 60cm. Memiddelde lengte 25cm. Maximum gewicht 3.24 kg
Deze soort leeft op zandgrond , voornamelijk in de Middellandse zee en de zwarte zee.

Zwarte zeebrasem / Spondyliosoma cantharus

Duits : streifenbrassen. Engels : black bream. Frans : breme de mer , griset.  Italiaans : cantarella , tunuta.  Portugees : choupa.  Spaans : chopa
De basiskleur is grijs  met vaak blauwgroene reflexen . Opvallend zijn de donkere lengte strepen op de zijden . Bij grotere volwassen dieren komen hier dikwijl nog brede vaag donker gekleurde dwarse banden bij.  De hommers zijn tijdens de paaitijd bijna altijd zwart.
Maximum lengte 60cm. Gemiddelde lengte 30cm. Maximum gewicht 1.22kg
De vis komt veel voor in de golf van Biskaje , bij Bretagne , de Britse zuidkust en van daar zuidelijk tot Angola en verder door de ganse Middellandse zee.
 
Leefgebied en gedrag

Sommige soorten leven boven zachte , modderige bodem, andere geven dan weer de voorkeur aan zand , rotsbodem of koraalriffen.
Een gemeenschappelijke eigenschap is de vorming van scholen en het leven in de buurt van de bodem.
In hun voedingsgebied zijn ze praktisch altijd onderweg op zoek naar eten. Toch zijn ze tamelijk honkvast en als men ze eenmaal ergens gevangen heeft, zal men ze ook later daar meestal terugvinden.
Ze leven tussen het oevergebied en een diepte tot -500 m.
In het algemeen kan je stellen dat naarmate ze groter worden ze ook dieper water opzoeken.
Het belangrijkste voedsel bestaat uit wormen , slakken , kleine krabben en kreeftjes en groter plankton.
Jonge vis of dode vis wordt ook verorberd.
De meeste zeebrasem zijn lekkere en duurdere vissoorten en zijn voor de beroepsvisserij van commercieel belang.
Een opmerkelijke gave is dat zeebrasems hermafroditisch aangelegd zijn. In de loop van hun leven kunnen ze veranderen van vrouwtjes naar mannetjes ogf omgekeerd. Tweeslachtig zijn ze echter niet.
 

Viswijze

Storm, regen en kou verdrijven de zeebrasem uit de kustwateren. Hoe rustiger de zee en hoe warmer , des te beter bijten ze. Zwoel, drukkend zomerweer is het best voor een goede vangst.
Bij het vissen vanaf de oever moet hier beslist nog wassend water bijkomen.
De allerbeste vangtijd is wanneer de vloed met zonsondergang of opgang samenvalt. 
Zodra de eb intreedt houdt het bijten meestal op.
Maar ook midden op de dag zijn ze soms goed te vangen.
Vaak gebeurd het ook dat je  gedurende een 30 tal minuten de een na de ander vangt en dan plots niets meer.

Zeebrasem heeft een voorliefde voor aas dat vrij en ongehinderd in het water of over de bodem drijft.
De samenstelling van de visuitrusting en hengelmethode is daarop dan ook gebaseerd.
Je kan zeebrasem zowel vanaf de kust of vanuit een boot vangen.

Vanaf de oever :
Rotsachtige oevers die aan diep water grenzen en waarvan de hellingen dicht met wieren en algen begroeid zijn.
Bij eb zijn plekken waar kolonies mosselen voorkomen geliefd.
Erg gunstig zijn die plaatsen waar zich zelfs bij een rustige zee altijd branding vormt. Langs en onder de daarbij optredende schuimrand bevinden zich steeds zeebrasems tijdens de vloed.
In dit gebied zijn de zeebrasems meestal vrij klein , tot 1/2kg .
Je kan zeebrasem in deze gebieden ook tot azen aansporen door het zuinig inwerpen van fijngestampt lokvoer. Dat kan bestaan uit fijngewreven haring , makreel of sardinevlees of gestampte krabben en mosselen.
Lange , lichte hengels zijn hier op hun plaats.
 

Veel gebruikt vanaf de rotsen is een montage met dobber, vaak een buldo die met water gevuld voor het nodige werpgewicht zorgt en nog zo klein moet zijn dat hij bij een aanbeet gemakkelijk onder water wordt getrokken.
Verder alleen een wartel waar je een onderlijn van 1 tot 1.5m aan bevestigt met een dikte van 0.20 mm en een enkele haak maat 6 tot 10 , liefst met een lange steel.

Bij het vissen in de branding vis je wadend bij opkomende vloed in de branding van zanderige stranden. Hierbij gebruik je een een vrij lange hengel , vaak een bolognese hengel en vis je met een rollood  (zie tekening) . De beet moet je meestal voelen aan de strak gehouden lijn.


Vanaf een boot :
Vanaf een boot zijn de kansen om grotere brasems te vangen beduidend beter.  Erg geschikte plaatsen zijn onderzeebergen of rotsige plaatsen in een vlak zandgebied.
Ook plaatsen dicht begroeid met zeegras zijn goed.
Meestal vis je hierbij uit een verankerde boot en ook dan kan voeren helpen.
Een ruby dubby , dit is een fijnmazig net gevuld met fijngestampt lokaas  enkele meter boven de bodem aan het ankertouw vastgemaakt is hiervoor het best geschikt.
De vis verzameld zich meestal onder het net of in de uitstroom ervan en hapt naar de langzaam zakkende stukjes lokaas.

Op grotere dieptes vist men meestal met een afhouder boven het lood of met een wapperlijn.
In het voorbeeld is gebruik gemaakt van spin-rings en twee onderlijnen , maar het kan ook met één onderlijn die dan langer genomen kan worden.

Ook sommige onderlijnen voor platvis zijn goed bruikbaar.

Zeebrasem knabbelt en trekt vaak lang aan het aas , meestal net zo lang tot zij met hun spitse tanden de haak schoongevreten hebben . Alleen voedselnijd doet hen er met het aas vandoor gaan.
Doet de vis dat , dan sla je onmiddellijk aan.
Om die reden gebruik je ook steeds een zo klein mogelijke haakmaat en goed vastzittend aas.
Hierin zijn ze niet erg kieskeurig en kan je zowat alle mogelijke aassoorten gebruiken. Het beste resultaat heb je met stevige, vlezige delen van gekookte garnalen , mosselen en slakken. Maar ook alle mogelijke wormen , schelpdieren of visvlees zijn goed.
Hoe kleiner de aangeboden stukjes met daarin de verborgen haak , hoe meer kans om de vis te haken en het afknabbelen te voorkomen.
De vis verweert zich buitengewoon dapper en de dril is meestal veel leuker dan wat zijn gewicht laat vermoeden.

Montages

               

Eigen vangsten

Diverse soorten op verschillende plaatsen
Copyright © 2006 Noyelle Frans . Alle rechten voorbehouden .